Vliegveld Ockenburg

Aanval

De Duitse operatie Fall Gelb startte in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Deze operatie had onder andere tot doel de vliegvelden Waalhaven, Valkenburg, Ypenburg en Ockenburg aan te vallen en te bezetten, daarnaast zouden, op de eerste gevechtsdag, meerdere troepen ingevlogen moeten worden. Hierna was de opdracht om vanaf de vliegvelden Valkenburg, Ypenburg en Ockenburg uit te breken en vanaf 3 kanten op te rukken naar Den Haag om de koninklijke familie, het kabinet en de militaire leiding gevangen te nemen om zo capitulatie af te dwingen.

Voor deze operatie werden meer dan 2000 Fallschirmjäger ingezet. Deze groep maakte deel uit van de 7e Flieger Division (onder de leiding van Generalleutnant Kurt Student) samen met de 22e Luftlande Division, 16e, 47e en 65e Infanterie Regiment onder leiding van Generalleutnant Graf Hans von Sponeck. Aan Von Sponeck waren al lange tijd voor 10 mei 1940 diverse malen gegevens verstrekt over de sterkte alsmede de opstelling van de Nederlandse troepen. Ook was hij precies op de hoogte van de toestand aan Nederlandse zijde zoals de opstelling van auto's op de belangrijkste wegen nabij Den Haag en zelfs de bewaking van het Paleis Huis ten Bosch. In totaal bestond de 22e Luftlande Division uit zo'n 10.000 man, hiervan zouden er volgens het plan 1049 man op Ockenburg moeten landen.

Het begin
In de nacht van 9 op 10 mei 1940 vertrokken er vanaf diverse Duitse vliegvelden bommenwerpers, jagers en transporttoestellen voor de verrassingsaanval op de vliegvelden Ypenburg, Valkenburg en Ockenburg. Volgens het plan moesten de eerste Duitse vliegtuigformaties, die aan Fall Gelb deelnamen, in westelijke richting over heel Nederland vliegen om daarna boven de Noordzee te keren en vervolgens uit westelijke richting aan te vallen. Verder was in uitvoering gepland: eerst zouden de vliegvelden worden gebombardeerd (
met uitzondering van Ockenburg) en met mitrailleurvuur worden bestookt om de verdediging te ontregelen, dan zouden parachutisten worden afgeworpen en ten slotte zouden de transporttoestellen met de luchtlandingstroepen in 3 golven landen op de terreinen die inmiddels door de parachutisten waren veroverd. Op 11 mei zouden op deze terreinen de transporttoestellen in nog 2 golven landen. Daarnaast was ook een bombardement op de Haagse kazernes in het plan opgenomen.

Op Ockenburg waren tijdens de nacht door personeel van het luchtwachtdetachement veel radiomeldingen ontvangen, hierin werd melding gemaakt van grote hoeveelheden vreemde vliegtuigen die van oost naar west overvlogen. Even voor zonsopgang werden deze ook op grote hoogte boven Ockenburg waargenomen. Omstreeks 04:00 uur werden vanaf Ockenburg de bombardementen waargenomen op vliegveld Ypenburg. Om 04:45 uur landden kort na elkaar een viertal Nederlandse vliegtuigen, een tweetal Fokker DXXI toestellen (de 217 en 228) van respectievelijk de vliegers P.J. Aarts en F.G.B. Droste en twee Douglas-8A 3N toestellen (de 389 en 391) met als bemanning G.A. Hinrichs/J.C. Kentie en J.H. Heijen/G.J. Nijveldt. Wegens brandstof- en munitiegebrek hadden zijn de strijd bij Ypenburg moeten staken, munitie kon wel worden verstrekt echter brandstof niet. Het eerst gelande Nederlandse toestel was tijdens de landing, per ongeluk, beschoten door de mitrailleur dat ten noordoosten van het vliegveld stond opgesteld. Dat kwam doordat het toestel in eerste instantie niet was herkent als Nederlandse jager, gelukkig werd daarbij geen schade aangericht. Vanaf de zuidzijde van het vliegveld kon de Vaandrig Gritter wél de Nederlandse onderscheidings-tekenen herkennen, zodat het vuur tijdig gestaakt werd. Nadat de Nederlandse vliegtuigen waren geland werd het, aan de noordzijde opgestelde, mitrailleur verplaatst en opgesteld nabij de loodsen aan de zuidoost zijde van het veld.

Kort nadat de Nederlandse jagers geland waren verschenen er laagvliegende Duitse jagers die het vliegveld en, met name, de zojuist gelande toestellen met mitrailleurvuur bestookten. In tegenstelling tot de vliegvelden Ypenburg en Valkenburg, begon de aanval op Ockenburg niet met een inleidend bombardement. Wel vond ook hier het afwerpen van parachutisten plaats vanuit Junkers 52 (Ju-52) toestellen. Het betrof een compagnie met een sterkte van 162 man. De aanval mislukte in eerste instantie, omdat slechts een vierde gedeelte om 04:55 uur in de nabijheid van het vliegveld landde. De Nederlanders openden direct daarop het vuur op de Duitsers, tevens werd een patrouille van 7 man onderleiding van een sergeant, uit de sectie Gritter, richting de vijand gezonden om deze uit te schakelen. Deze patrouille zou later verrast en gevangen worden genomen door de valschermtroepen die in het duinterrein ten westen van het vliegveld waren afgesprongen. Na deze eerste aanval werd het Commando Luchtverdediging telefonisch ingelicht door eerste-luitenant-vlieger Gautier van het Luchtvaartbedrijf, de zojuist gelande vlieger Droste spoedde zich per fiets richting Loosduinen om de aldaar gelegerde Grenadiers te verwittigen van de toestand op het vliegveld. Onderwijl gingen de vijandelijke jachtvliegtuigen door met het bestoken van het vliegveld en de loodsen met mitrailleurvuur.

OverzichtskaartjeDoor oriënteringsfouten waren de anderen Duitse eenheden ver uiteen geland. Zo daalden omstreeks 5.00 uur 72 parachutisten op enkele kilometers ten noordoosten van Hoek van Holland. De eenheid bestond uit de Commandogroep en het 2e peloton van 3/FJR 2 (3e compagnie van het 2e Regiment Valschermjagers) en was eigenlijk bestemd voor het vliegveld Ockenburg. Ruim vijftig van deze parachutisten zouden er nog in slagen zich later bij hun troepen op Ockenburg te voegen. Generalleutnant von Sponeck zelf landde kort na 07:00 uur, eveneens buiten het vliegveld zelf.

Een half uur na de eerste Duitse actie landden een eerst golf van achttien vijandelijke transporttoestellen, enige tijd later gevolgd door een tweede golf van acht vliegtuigen. Aldus bevonden zich in korte tijd zo'n 200 Duitsers op het vliegveld. Direct na de landing werd het vuur op de Nederlandse troepen geopend, dit werd beantwoord met tegenvuur. Een van de mitrailleurs, van de sectie Gritter, viel direct na het eerste schot uit wegens hapering, ondanks verwoedde pogingen deze weer te laten functioneren lukte dit niet. Kapitein Boot werd vrij snel na de eerste schotenwisselingen gewond aan de hand, maar kon desondanks de leiding van de compagnie behouden.

Geleidelijk aan kregen de Duitsers meer overwicht, hun aantal nam snel toe, doordat troepen uit vliegtuigen die in de buurt van Ockenburg waren geland zich bij hen voegden. De Nederlandse weerstand kon niet lang meer worden volgehouden door het grote vuuroverwicht van de vijand. Ondertussen was ook de mitrailleur van de sectie Van der Sluijs uitgevallen. De mitrailleur dat aan de noordoost zijde stond opgesteld schoot uitstekend en met succes, totdat tegen zeven uur de schutter (dpl. J. Zevenbergen) achter zijn mitrailleur sneuvelde en de helper zwaar gewond werd. Alleen de linkersectie (Gritter), die krachtig deelnam aan het vuurgevecht, leed aanvankelijk geen verliezen.

De rechter- en middensectie (respectievelijk Van der Sluijs en Rodermond) moesten hun positie opgeven om niet overmeesterd te worden. De gewonde Kapitein Boot trok zich om circa 06:30 terug door de ingang van het vliegveld (C) samen met resten van de secties van v.d. Sluijs en Rodermond om te trachten de wal lang het zwarte weggetje te bereiken, waar er een betere dekking kon worden verkregen. De Luitenant v.d. Sluijs nam met 1 groep van zijn sectie stelling langs de zuidzijde van het pleintje tegenover de ingang. Hierdoor kon het uitbreken van de vijand enige tijd worden tegengegaan en werden resten van de secties in de gelegenheid gesteld zich te voegen bij de andere bij de wal. Tijdens de teruggaande beweging werden echter zware verliezen geleden, zodat maar weinige de wal langs het zwarte weggetje konden bereiken. Kort na aankomst bij de wal werd de compagniescommandant Boot ernstig getroffen. Hij was nog in staat de achterkant van deze wal te bereiken alwaar hij het commando kon overdragen aan de Luitenant Rodermond, kort daarop overleed hij.

Inmiddels was ook de Luitenant Van der Sluijs gewond geraakt en was de rest van zijn groep zo goed als buiten gevecht gesteld. Met de nog aanwezige, zwakke vuurkracht, werd getracht de vijand tegen te houden. Echter de Duitsers konden toch uitbreken op meegevoerde motorrijwielen en enkele wisten zelfs richting de Laan van Meerdervoort te rijden. Toen de vijand uiteindelijk steeds verder opdrong (de wal aan zuidwestelijke zijde was inmiddels in Duitse handen) kon de positie achter deze wal niet meer worden gehouden en gaf luitenant Rodermond bevel tot terugtocht. In de bossen van Ockenburg raakte de rest van de compagnie volledig uit elkaar. Door diverse schietpartijen van burgers uit huizen, het afvuren van lichtkogels en de vele geruchten heerste er ondertussen onder veel Nederlandse militairen op zowel Ockenburg als in Loosduinen een gevoel van onrust en angst over de mogelijke aanwezigheid van een Vijfde Colonne. Dit bleef zelfs aanhouden tot na de herovering van het vliegterrein.

De sectie van vaandrig Gritter had zich nog enige tijd staande weten te houden, echter op een gegeven moment werden zij van achteren aangevallen door valschermjagers die de wal langs het zwarte weggetje hadden beklommen, hierbij leden zij zware verliezen. De mannen trachtten daarop nog dekking te zoeken aan de westelijke zijde van loods A, echter daar werden zijn onder vuur genomen door de op het terrein gelande Duitse troepen. Nadat zowel Gritter als een sergeant buiten gevecht waren gesteld, gaf de rest van de sectie zich over. Hiermee was vermoedelijk omstreek 07.00 uur de laatste weerstand van 22e Depotcompagnie bewakingstroepen gebroken en was het vliegveld geheel in Duitse handen. De geleden verliezen aan Nederlandse zijde waren aanzienlijk, van de 96 manschappen waren er 24 gesneuveld terwijl 18 man gewond was geraakt.

Na de aanval Von Sponeck op Ockenburg
Ondanks de verovering van het vliegterrein was er geen sprake van een echte overwinning voor de Duitsers. Vliegtuigen versperden de landingsbaan, waardoor verdere landingen onmogelijk waren, daarnaast had divisiecommandant Von Sponeck te maken met andere problemen. Volgens plan had hij bij het vliegveld Ypenburg moeten landen, bovendien had hij in eerste instantie geen radiocontact meer met zijn eenheden noch met Generalleutnant Kurt Student die het bevel voerde over de gehele luchtlandingsoperatie. Later trof Graf von Sponeck zijn radioafdeling aan en kon dus toch nog in verbinding treden met generaal Kesselring. Zijn grootste zorg werd al gauw hoe aan een dreigende omsingeling te ontsnappen. Het was inmiddels duidelijk geworden dat Nederlandse eenheden rond Ockenburg met een omsingeling bezig waren.

This site was last modified on 25/07/2017 at 16:37. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2017