Vliegveld Ockenburg

Opzet vliegterrein

Voor het opzetten van een vliegterrein bezoeken 2 oprichters van de Eerste Nederlandsche Sport - Luchtreclame Onderneming NV vermoedelijk in januari 1932 de Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting van de gemeente Den Haag, de heer Piet Bakker Schut. Op 24 januari 1932 stuurt de onderneming refererende aan dit bezoek een brief aan de directeur met daarin het verzoek een prijsopgave en huurvoorwaarde van een strook terrein van ongeveer 500 meter bij 700 meter onder Ockenburg, hen te doen toekomen. Op 22 februari stuurt de onderneming nogmaals dezelfde brief. Anderhalve week later, op 2 maart verzoekt de onderneming, per brief, om alsnog antwoord van de directeur te mogen ontvangen. Op 25 februari antwoord de heer Piet Bakker Schut namens de Raad van Beheer N.V. Ockenburgh als gedelegeerd lid dat zij de onderneming moet mededelen dat zij niet kunnen meewerken tot  verhuring van een terrein van ongeveer 500 meter bij 700 meter voor een vliegterrein. Op 9 maart wordt vanuit de gemeente een brief gestuurd naar de Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. De schrijver van deze brief meldt dat de onderneming scheen, hij kon het persoonlijk moeilijk beoordelen, serieus te zijn. De eerdere besprekingen werden vanaf de kant van de onderneming gevoerd door de heren Tegelaar en Valk. Op de brieven van 24 januari en 22 februari had de onderneming geen antwoord ontvangen. Volgens de wethouder Vrijenhoek was de onderneming verwezen naar de N.V. Ockenburgh, maar dat daar gebleken was dat het onmogelijk was de onderneming het gehele terrein, dat zij dus wensten, te verhuren. Dit zou, naar mening van de wethouder, vrijwel de gehele vlakte zijn geweest tussen de schietbanen en de weg Loosduinen - Kijkduin. Bij de gemeente was medegedeeld dat dit volstrek onjuist was en dat de onderneming volkomen zou kunnen volstaan met het terrein tussen Blijrust en het terrein van de kassen, destijds aan de beide andere zijden begrensd door de weg naar de schietbanen en duinen. De onderneming zou alle kosten voor het in orde maken van het terrein op zich nemen. Er was onbegrip dat hierin geen mogelijkheid zou liggen om terreinen, die toch niet voor bebouwing in aanmerking kwamen, en die uit oogpunt van natuurschoon op zichzelf weinig betekenden, tijdelijk rendabel te maken. De Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting werd verzocht een en ander na te willen gaan en met de wethouder te bespreken.

Besprekingen
Uit een inventarisatie van de besprekingen blijkt dat de heer Tegelaar van de onderneming voor gegevens over de ligging van de terreinen op de zolderkaartkamer van het stadhuis is geweest, maar daar werd hij verwezen naar de heer Suyver, de Adjunct Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting. De heer Suyver verstrekte Tegelaar allerlei gegevens over de vliegterreinen en verleende eventueel zijn volle medewerking voor deze aangelegenheden. Bij hem werd ook besproken, dat indien het vliegterreinplan Rotterdam - Den Haag gereed kwam, of de onderneming genegen was daarop hun bedrijf te willen vestigen. Daarnaast hadden Tegelaar en Valk een onderhoud met de wethouder Vrijenhoek maar die verwees beide heren door naar de directeur Zanen van de N.V. Ockenburgh. De directeur hebben ze niet gesproken en een ambtenaar van de N.V. verwees beide heren weer door naar de Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvestig, de heer Piet Bakker Schut dus. Daar werd de onderneming medegedeeld dat de onderneming een stuk terrein, groot 500 meter bij 700 meter, op Ockenburg kon huren, daar het binnen 10 jaar in die omgeving niet bebouwd zou worden. Hij vroeg de onderneming om een schriftelijke aanvraag waarna hij dit met de heren van de N.V. Ockenburgh zou bespreken. Op 17 maart was er een conferentie over de verhuring van een terrein op Ockenburg voor het vliegterrein. De sfeer tijdens de conferentie was niet optimaal waarbij er zelfs met de vuist op tafel werd geslagen, werd geschreeuwd en werd gedreigd met stappen naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Redenen afwijzing
Op 14 maart stuurt de Directeur der Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting per brief een antwoord naar de burgemeester. In de brief schrijft de directeur dat het niet juist is dat de brieven aan de onderneming onbeantwoord zijn gebleven en voegt het antwoord van 25 februari bij. Hij vond het aanvankelijk zeer aanlokkelijk om een gedeelte van de hoogvlakte van Ockenburg, die vrijwel ongebruikt lag, rendabel te maken. Van een stadsuitbreiding ter plaatse was de eerste jaren geen kwestie. Bij nadere overweging en na onderzoek ter plaatse was de directeur echter tot de conclusie gekomen, dat het denkbeeld praktisch niet wel uitvoerbaar was, zodat hij na een overleg met wethouder Vrijenhoek en met zijn mede-gedelegeerde Zanen de onderneming in afwijzende zin had bericht. Bij het bezoek was op zijn bureau gesproken over een terrein van ongeveer 500 meter bij 700 meter (desnoods wel iets minder, maar vooral aan de lengtemaat wilde de onderneming zo mogelijk vasthouden). Een terrein, dat aan die eisen nagenoeg voldeed, is op onderstaande tekening rood omlijnd. Daartoe was het echter nodig de boerderij Blijrust op te offeren, terwijl ook de opgravingen van professor Holwerda, welke voor het grootste gedeelte daarin vallen, onmogelijk werden. Een andere oplossing was het blauw onlijnde gebied. Daarin zouden, echter een zestal terreinen vallen, die thans als sportterrein verhuurd waren. Buitendien zou het terrein dan met zijn grootste afmeting bijna onmiddelijk langs de duinen liggen, hetgeen met het oog op het starten en land in noordwestelijke richting ongetwijfeld bezwaren zou opleving. Het terrein dat in de brief van de burgemeester van Den Haag was aangegeven, tussen Blijrust en de warmoezenierstuinen en anderzijds weer begrensd door de weg naar de schietbanen en de duinen, zou ongeveer 190 meter bij 670 meter groot zijn, dus zeer aanmerkelijk kleiner dan aanvankelijk aangegeven. Hierin zouden dan nog vallen de verscheidene sloten en gedeelte van de Beek (die zonder meer gedempt kon worden), terwijl buitendien het noordelijk deel te dicht onder de duinen lag om daar te kunnen landen, zodat praktisch nog slechts een deel van dit beperkte terrein bruikbaar zou zijn.

Afgescheiden van de bovenvermelde bezwaren, wilde de directeur wijzen op het feit, dat in elk hier beschouwde gevallen, dat het terrein zeer onregelmatig was: golvend en met vrij diepe greppels. Ongetwijfeld was hierbij egalisatie nodig om het bruikbaar te maken voor het vliegterrein. Ging men echter het terrein vlak maken, dan moest men eerst beginnen de bovenlaag, die door de begroeing met wat armelijk duingras, in de loop van lange jaren vast was geworden, te verwijderen en het zou dan uiterst moeilijk zijn om dan op de omgewoelde duingrond weer een vaste bovenlaag te krijgen, geschikt om te landen. Dit zou vele duizenden guldens kosten, wat aanleg en wat onderhoud betreft. Naar alle waarschijnlijkheid was het gevolg dat men er tegen opziende verder geld uit te geven, de gemeente na een jaar of daaromtrent liet zitten om een omgewoeld en verstuiven hoogvlakte, die aan de omgeving onnoemelijk veel last zou gaan bezorgen en per saldo aan de N.V. veel meer koste dan huur had opgebracht. Op grond van deze overwegingen, was het verzoek tot een verhuring afgewezen. De directeur wilde de burgemeester ook niet verzwijgen dat zijn persoonlijke indruk van de beide personen van de onderneming, die hem bezocht hadden, weinig serieus was. Deze indruk was volgens hem bevestigd door het prospectus waaruit onder meer bleek dat men voor het in orde brengen van het terrein en wat daarmede verband hield geen cent had uitgetrokken, noch onder de oprichtingskosten, noch op de exploitatie-rekening. Daarbij had het College in beginsel zijn goedkeuring gehecht om tot een volledig sportpark te komen. Indien het sportpark toch zou worden gerealiseerd, zou de benodigde grond voor demping van sloten en ophoging van het terrein naar alle waarschijnlijkheid ontleend moeten worden aan de hoogvlakte. Bij verhuring van een deel van de vlakte voor het vliegterrein, lag het voor de hand, dat dit gebruik de uitvoering van bedoelde plannen in de weg zou staan. Men moest dan tot huuropzegging overgaan en bezorgde dan natuurlijk de personen, die zich juist gevestigd hadden, enorme schade, indien de onderneming werkelijk levensvatbaarheid mocht hebben.
 

This site was last modified on 11/11/2017 at 22:44. (c) Vliegveld-Ockenburg 2001-2017